Geschiedenis 1840 – 1875

1840: In de eerste helft van de 19e eeuw bezat de Nederlandse staat duizenden hectaren heide en woeste gronden. Deze gronden behoorden oorspronkelijk tot het eigendom van de Hertogen van Gelre. Op de kaart van 1850  is te zien dat de Veluwe toen nog grotendeels met heide was bedekt (paarse kleur op de kaart).

Om een einde te maken aan geschillen over eigendomsrecht, veroorzaakt door een groeiende bevolking en een krimpende schatkist, komt er in 1843 onder Minister van Financiën Floris van Hall een regeling tot stand, waarbij het Rijk zijn domeingronden overdoet aan de gemeenten.

1843: de Staat staat 12.000 ha. heide en woeste grond gelegen onder Ermelo aan deze gemeente af. De gemeente betaalt hier slechts f 6000, = voor, te voldoen in twintig achtereenvolgende jaarlijkse termijnen van f 300, =. Als voorwaarde wordt daarbij gesteld:”dat het Gemeentebestuur zich verbindt om de voorgeschreven heide en woeste gronden zelf te ontginnen of ter ontginning uit te geven of te verkoopen, naarmate dat zulks in het belang der Gemeente zal raadzaam geacht worden”. En zo komt, wat we nu Nieuw Groevenbeek noemen, in handen van de gemeente Ermelo.

1844: De gemeente Ermelo verkoopt in december ten huize van Reijer van Veldhuijsen, herbergier, zes percelen, waaronder Nieuw Groevenbeek, aan een koopman uit Harderwijk, Pieter van Vledder, en een apotheker uit Amsterdam, Marten van Vledder. Zij betalen f 2090, = voor iets meer dan 207 ha.

1845: De broers Van Vledder beginnen met de bouw van een ontginningsboerderijtje aan de Arnhemse Karweg en het omwallen van hun bezit.

1846: op 1 augustus verkopen de heren Van Vledder de boven genoemde zes percelen, gedeeltelijk ongecultiveerde en gedeeltelijk reeds tot cultuur gebrachte grond, aan de Amsterdamse hoogleraar Mr Jacob van Hall (en broer van minister Floris van Hall) voor f 5500, = . In nog geen drie jaar tijd is de grondprijs opgelopen van f 0,50 tot ruim f 27, = per hectare. Ook van andere eigenaren in Ermelo en Putten koopt Van Hall grond aan, waaronder “Oud Groevenbeek”, dat eigendom was van de toenmalige burgemeester van Ermelo, Campegius Lambertus Vitringa.

Al deze gronden stonden op naam van Van Hall, maar waren in werkelijkheid het bezit van:

  • Prof. Mr. C.A. den Tex, hoogleraar te Amsterdam en collega van Jacob van Hall
  • P.M. Jongeneel, houthandelaar in Utrecht en getrouwd met Margaretha Henriette Cornelia van Hall, een halfzuster van Jacob van Hall
  • Mr O. B. Bisdom, heer van Cattenbroeck, advocaat te Utrecht en verloofd met Adelaïde Pauline Florentine van Hall, ook een halfzuster van Jacob van Hall
  • Frederik Christiaan van Hall, makelaar te Amsterdam en broer van Jacob van Hall

 

Jacob van Hall                            P.M. Jongeneel

De vijf heren storten ieder f 3600, = als begin kapitaal en spreken af voorlopig f 300, = per jaar te betalen.

Direct na aankoop van de gronden wordt een begin gemaakt met de ontginning. Zowel op de boerderij van Oud als van Nieuw Groevenbeek wordt een zetboer aangesteld. Bij de boerderij op Nieuw Groevenbeek worden een moestuin en akkers aangelegd. De hei wordt gedeeltelijk afgemaaid, met os en ploeg bewerkt en bemest.  De overige gronden werden fasegewijs beplant met grove dennen en akkermaalshout.

1852: op Nieuw Groevenbeek wordt een schaapskooi gebouwd. De schapenmest wordt gebruikt voor het bemesten van de aangelegde akkers Groevenbeek bestaat dan nog grotendeels uit heide- en zandgronden. Op de Gemeentelijke Atlas van Nederland van J. Kuyper uit 1868 is dit te zien op de kaarten voor Putten en Ermelo (hieronder aan te klikken). Op deze kaarten is tevens te zien dat er tol werd geheven op de weg van Putten naar Ermelo.

ermelo1.gif (323740 bytes)putten.gif (481705 bytes)

Ermelo                Putten

1858: pas 12 jaar na de aanvang van de ontginningen wordt er een officiële maatschap opgericht ten doel hebbende de ontginning van woeste gronden en de voortzetting van reeds aangevangen ontginningen. Inmiddels hebben zich enkele wisselingen in de samenstelling van het gezelschap plaats gevonden. Broer Frederik van Hall heeft zich al na enige jaren teruggetrokken en Prof den Tex is overleden. Nieuw lid is sinds 1854 Jacob Hendrik van Schermbeek, een bevriende notaris uit Utrecht en ver aangetrouwd familielid van de Van Halls. Inmiddels heeft het bezit zich uitgebreid tot 420 ha.

1859: Van Hall overlijdt geheel onverwacht op 19 maart te Utrecht, waar hij sinds 1848 hoogleraar was.

1860: de erfgenamen van Van Hall worden uitgekocht en een nieuwe maatschap wordt opgericht. Philip Henri Marcella, broer van Van Halls weduwe koopt zich voor f 16.000,- in de maatschap. Elk van de deelnemers heeft 1/4 aandeel in de vennootschap en Jongeneel neemt het beheer van Groevenbeek op zich.

1863: Marcella treedt uit de maatschap.

1875: Petrus Marinus Jongeneel overlijdt, zijn weduwe Margaretha Henriëtta Cornelia Jongeneel – van Hall volgt hem in de maatschap op en Dr. Floris Egbertus Vos, getrouwd met Wijnanda Jacoba, de jongste dochter van P.M. Jongeneel zorgt, nadat hij zijn praktijk heeft neergelegd, voor het beheer van Groevenbeek. Tussen 1875 en 1889 overlijden ook de twee oorspronkelijke vennoten, de heren Van Schermbeek en Bisdom van Cattenbroek en in 1884 M.H.C. Jongeneel – van Hall.

M.H.C. van Hall

Floris Vos en Margaretha Henriëtta Cornelia Jongeneel – van Hall